Van fiasco naar succes: de geschiedenis van Meeuw

Anton Tsjechov (1860–1904) groeide op in de havenstad Taganrog, vlak bij het huidige Oekraïne, als zoon van een winkelier. Al op school schreef hij verhalen en toneel. Als student geneeskunde in Moskou begon hij korte verhalen te publiceren, waarmee hij ook zijn familie onderhield. Later zou hij zeggen dat hij als arts goed had leren observeren, waar hij ook als schrijver van profiteerde.

Tsjechov had een zwakke gezondheid en in 1884, op zijn vierentwintigste, hoestte hij bloed op. Als arts wist hij wat dat kon betekenen: tuberculose, een levensbedreigende ziekte waarvoor geen effectieve behandeling bestond. Toch bleef hij zijn klachten jarenlang bagatelliseren, zelfs toen zijn broer er op 34-jarige leeftijd aan overleed.

Schrijven, schrijven en nog eens schrijven

Tsjechov werkte als een bezetene, als arts én als schrijver, misschien wel juist omdat hij wist dat de dood hem op de hielen zat. Alleen al in 1885, hij was 25 jaar oud en werkte in een ziekenhuis bij Moskou, publiceerde hij 133 teksten. In een latere brief verzucht hij: “De gedachte verlaat mij geen ogenblik dat ik moet schrijven, dat ik verplicht ben te schrijven. Schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Ik ben van mening dat echt geluk niet mogelijk is zonder luiheid. Mijn ideaal is niets te doen en een mollig meisje te beminnen.”

Zijn werk was zo populair dat hij kon leven van zijn pen – iets wat in 19e-eeuws Rusalnd maar voor een handjevol schrijvers was weggelegd. In 1892 kocht hij een huis op het platteland, waar hij onder meer Meeuw zou schrijven. Hier behandelde hij als arts ook patiënten uit de omgeving, hielp bij de bestrijding van een cholera-epidemie, zette zich in voor de bouw van scholen en werd lid van de gemeenteraad.

Uit het leven gegrepen

In Meeuw, geschreven in 1895, verwerkte Tsjechov veel ervaringen uit zijn leven. Het stuk bevat, zoals zo vaak bij Tsjechov, een dokter, maar ook twee schrijvers. Dit laat al zien dat de schrijvende arts Tsjechov niet simpelweg samenvalt met één personage. In Dorn, Kostja én Trigorin zijn trekken van hun maker te zien.

Ook een ongelukkige liefdesdriehoek leverde materiaal. Lika Mizinova was hartstochtelijk verliefd op Tsjechov. Omdat hij haar liefde niet beantwoordde, begon zij een verhouding met zijn vriend, de getrouwde schrijver Ignati Potapenko. Hun geschiedenis klinkt door in die van Mika en Trigorin. Een andere vrouwelijke bewonderaar, Lidia Avilova, gaf Tsjechov een medaillon met een verwijzing naar een passage uit zijn eigen werk: “Als je ooit mijn leven nodig hebt, kom dan naar me toe en neem het.” In het stuk geeft Mika precies zo’n medaillon, met precies diezelfde zin, aan Anna.

Tsjechov vond ook op andere plekken inspiratie. Zo had hij een onderwijzer leren kennen die op zijn dertigste al grijs was van de zorgen. Tsjechov schreef in een brief over hem: “Die man voelt zich zo ellendig dat hij, waarover je ook met hem een gesprek begint, alles terugbrengt op de kwestie van zijn salaris.” Die ongelukkige leraar vormde duidelijk het model voor Simon uit Meeuw.

Van fiasco naar triomf

Met Meeuw zondigde Tsjechov tegen alle regels die in zijn tijd golden voor komedie. Een komedie moest veel verwikkelingen hebben en eindigen met een daverend slotakkoord. In een brief aan zijn uitgever schreef Tsjechov dat stuk een komedie was geworden “met weinig handeling, veel gesprekken over kunst en 80 kilo liefde”, dat forte (luid) begon en pianissimo (heel zacht) eindigde. “Wanneer ik mijn pasgeboren stuk nog eens overlees, word ik bevestigd in mijn overtuiging dat ik helemaal geen toneelschrijver ben.”

De première vond plaats op 17 oktober 1896  tijdens een benefietavond voor een populaire actrice in Sint-Petersburg. Er was daardoor maar tijd voor twee repetities en geen geld voor een decor. De avond werd – zoals Tsjechov al vreesde – een fiasco. De acteurs wisten eigenlijk niet wat ze speelden, het publiek verwachtte ander amusement en na twee bedrijven verstopte de schrijver zich achter de coulissen. De volgende dag schreef hij zijn uitgever: “Nooit zal ik meer toneelstukken schrijven of ze laten opvoeren.”

Gelukkig hield die belofte geen stand. Twee jaar later namen theatervernieuwers Konstantin Stanislavski en Vladimir Nemirovitsj-Dansjenko het stuk op in het eerste seizoen van hun nieuwe gezelschap, het Moskous Kunsttheater. Zij wilde een nieuw soort theater maken, met meer aandacht voor samenspel en het innerlijke leven van personages. Tsjechovs tekst was perfect daarvoor. Meeuw werd nu een daverend succes en hielp het jonge gezelschap én de schrijver hun reputatie in het toneel te vestigen. De vogel werd zelfs het embleem van het gezelschap. Tijdens de repetities vond Tsjechov bovendien de liefde bij Olga Knipper, die Arkadina speelde (in onze voorstelling Boris) en met wie hij drie jaar later trouwde.

De schrijver lachte

Ook Tsjechovs andere grote stukken – Oom Wanja, Drie zusters en De kersentuin – gingen met groot succes bij het Kunsttheater in première. Toch waren schrijver en regisseurs het niet lang altijd eens over hóe die stukken dan gespeeld moesten worden. In de ogen van Tsjechov werd te veel op de tragedie gespeeld. Hij had de stukken niet voor niets komedie genoemd!

In Nederland gaf de Russische regisseur Pjotr Sjarov (1886–1969) na de Tweede Wereldoorlog Tsjechovs werk een vaste plaats op het repertoire. Geheel in de geest van de schrijver drukte hij zijn acteurs op het hart: “Het drama is er al, speel het licht. Huil, maar lach.” Sjarov had een anekdote die hij graag en vaak vertelde. Hij was als 18-jarige nog aanwezig geweest bij een repetitie van De kersentuin door het Moskous Kunsttheater. Tsjechov was erbij en had enorm veel pret om de komische ideeën van een acteur over hoe hij rol zou spelen. Sjarov verzuchtte: “Ik ben een gelukkig mens. Ik heb Tsjechov horen lachen.”

Enkele maanden na die bewuste repetitie stierf Tsjechov, in juli 1904 in het Duitse kuuroord Badenweiler. Hij werd slechts 44 jaar oud.

Put me on the waiting list

Wishlist

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter